Verloning bedrijfsleider bijgewerkt

Forfaitaire onkostenvergoeding voor binnenlandse dienstreizen (16-dagenregel)

In het kort

Een vennootschap kan haar bedrijfsleider maandelijks een belastingvrije forfaitaire onkostenvergoeding toekennen van maximaal 16 keer de dagvergoeding, op voorwaarde dat hij of zij regelmatig prestaties buiten de bedrijfszetel levert. Dit artikel legt uit wat die voorwaarden inhouden, hoe de 6-urenregel werkt en welke documentatie je nodig hebt.

In het kort

Een vennootschap kan haar bedrijfsleider een belastingvrije maandelijkse forfaitaire onkostenvergoeding toekennen van maximaal € 353,28 per maand (16 × € 22,08/dag, geldig vanaf 1 september 2026), op voorwaarde dat die bedrijfsleider regelmatig prestaties buiten de bedrijfszetel levert. Per afzonderlijke dag hoef je de 6-urendrempel niet te bewijzen — dat is een belangrijk voordeel ten opzichte van de losse dagvergoeding. Wel moet je de forfait aantoonbaar baseren op een reëel reispatroon en correct rapporteren op fiche 281.20.

Hieronder bespreken we wat de voorwaarden precies inhouden — in het bijzonder wat verstaan wordt onder “regelmatige prestaties” en “prestaties buiten de bedrijfszetel” — en of de vroegere 6-uur-per-dag-eis nog geldt. Daarna gaan we in op het verschil tussen de fiscale en de RSZ-regels, en ten slotte op de vereiste bewijsvoering en documentatie. We verwijzen waar mogelijk naar officiële bronnen van RSZ, FOD Financiën en Vlabel.


Geïndexeerde bedragen (overzichtstabel)

De belastingvrije forfaitaire vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen worden geïndexeerd. Onderstaande tabel geeft de actuele en de historische bedragen.

VergoedingBedragGeldig vanaf
Dagforfait maaltijden (fiscaal)€ 22,08 / dag1 september 2026
Maandforfait (16 × dagforfait, voltijds)€ 353,28 / maand1 september 2026
Dagforfait maaltijden (fiscaal, vorig)€ 21,64 / dag1 maart 2026 – 31 aug. 2026
Maandforfait (vorig)€ 346,24 / maand1 maart 2026 – 31 aug. 2026
Dagforfait maaltijden (fiscaal, vorig)€ 20,80 / dag1 juni 2024 – 28 feb. 2026
Maandforfait (vorig)€ 332,80 / maandtot 1 maart 2025
Maandforfait (vorig, tussenperiode)€ 339,59 / maand1 maart 2025 – 28 feb. 2026

De bedragen worden geïndexeerd telkens wanneer de spilindex voor de federale ambtenarenwedden wordt overschreden. Controleer elk jaar of er een nieuwe indexstap is doorgevoerd.

Voorgeschiedenis: een vennootschap kon haar bedrijfsleider een vaste maandelijkse onkostenvergoeding toekennen van maximaal € 332,80 per maand, vanaf 1 maart 2025 geïndexeerd naar € 339,59 per maand, telkens op voorwaarde dat die bedrijfsleider regelmatig prestaties buiten de bedrijfszetel levert. Vanaf 1 maart 2026 bedroeg het maandforfait maximaal € 346,24 per maand (16 × € 21,64); vanaf 1 september 2026 is dat € 353,28 per maand (16 × € 22,08).


Wat zijn “regelmatige prestaties buiten de bedrijfszetel”?

Regelmatig = structureel, niet uitzonderlijk

“Regelmatige prestaties” slaat op het frequente, terugkerende karakter van de beroepsmatige verplaatsingen. Met andere woorden: de aard van de functie impliceert dat men structureel op regelmatige basis buiten de vaste werkplaats werkt. In de fiscale richtlijnen wordt dit omschreven als bijvoorbeeld een “reizende functie” of een functie die inherent gepaard gaat met dienstreizen.

Er is geen expliciete norm (zoals “dagelijks” of “wekelijks”) vastgelegd, maar regelmatig betekent dat de verplaatsingen geen uitzondering zijn, maar een vast onderdeel van de job vormen. Zo zou minstens één keer per week op verplaatsing een indicatie kunnen zijn van regelmaat, of een bepaald aantal dagen per maand. Het sleutelcriterium is dat het structureel is en niet louter sporadisch.

Praktische indicatoren:

  • Minstens één keer per week op verplaatsing, of een bepaald aantal dagen per maand
  • Reizende functies (salesmanager, consultant, vertegenwoordiger, werfopvolger)
  • Functieomschrijving die inherent dienstreizen impliceert

Voorbeeld: een salesmanager of vertegenwoordiger die wekelijks klanten bezoekt, of een consultant die geregeld buiten kantoor bij klanten werkt, wordt beschouwd als iemand met regelmatige prestaties buiten de bedrijfszetel. Incidentele of zeldzame verplaatsingen zouden daarentegen niet onder “regelmatig” vallen. In geval van twijfel zal men kijken naar de functieomschrijving en het effectief reispatroon (bv. agenda of rittenblad over een langere periode) om te oordelen of de verplaatsingen voldoende regelmatig zijn.

Wat telt als “prestatie buiten de bedrijfszetel”?

“Prestaties buiten de bedrijfszetel” (of buiten de vaste plaats van tewerkstelling) zijn alle professionele activiteiten die niet op de officiële bedrijfszetel of vaste werkplaats plaatsvinden. Concreet gaat het om binnenlandse dienstreizen: verplaatsingen in opdracht van de onderneming van de vaste werkplaats (of woonplaats) naar een andere locatie dan die vaste werkplaats. Dit omvat bijvoorbeeld klantenbezoeken, werfbezoeken, afspraken op locatie bij een klant of leverancier, prospectie op het terrein, enzovoort.

Wat niet telt:

  • Woon-werkverkeer (van thuis naar de vaste standplaats) telt niet als dienstreis, en valt dus niet onder “prestaties buiten de bedrijfszetel”.
  • 40-dagenregel: als men meer dan 40 dagen per jaar naar dezelfde externe locatie gaat voor het werk, dan beschouwt de fiscus die locatie als een vaste tewerkstellingsplaats, en niet langer als een dienstreisbestemming. Dit betekent dat men voor verplaatsingen naar die plek (vanaf dag 41 in hetzelfde jaar) geen forfaitaire dienstreisvergoeding meer belastingvrij kan ontvangen. Met andere woorden: frequente werkzaamheden op éénzelfde externe locatie worden na verloop van tijd gezien als een tweede vaste werkplaats.

Korte klantbezoeken (bv. van één uur) vallen in principe wél onder prestaties buiten de bedrijfszetel — het zijn immers professionele verplaatsingen weg van de vaste standplaats, ook al duren ze niet lang. Het uurrooster of de duur van de buitenhuisprestatie is op zich niet bepalend voor het begrip: ook een afspraak van één of twee uur bij een klant is een binnenlandse dienstreis.

Echter, de duur wordt wél relevant bij de voorwaarden voor het al dan niet toekennen van de forfaitaire vergoeding per dag (zie het volgende punt). Kortom: ja, ook een klantbezoek van een uur kwalificeert als een prestatie buiten de bedrijfszetel (mits het uiteraard een beroepsmatig bezoek is en geen woon-werkverplaatsing), maar of daarvoor een forfaitaire onkostenvergoeding kan worden toegekend, hangt af van het voldoen aan de fiscale/RSZ-voorwaarden (zoals duur, frequentie, enz.).

Bouwsector: in de bouwsector hanteert men meestal meteen de werf als vaste tewerkstellingsplaats van de bedrijfsleider, waardoor de 40-dagenregel daar in de praktijk niet wordt toegepast.


De 6-urenregel: wanneer geldt die nog?

Situatie6-urenregel van toepassing?
Losse dagvergoeding per dienstreisJa — de reis moet minstens 6 uur duren
Maandelijkse forfaitaire vergoeding (16-dagenregel)Nee — per afzonderlijke verplaatsing hoef je de 6 uur niet meer te bewijzen

Losse dagvergoeding

Vroeger gold voor de forfaitaire dagelijkse onkostenvergoeding dat de dienstreis minstens 6 uur moest duren om een belastingvrije dagvergoeding te rechtvaardigen. Deze voorwaarde geldt nog steeds voor de toekenning van een individuele fiscale dagvergoeding.

De FOD Financiën aanvaardt een belastingvrije dagvergoeding (maaltijdvergoeding) enkel “indien de duur van de verplaatsing minimaal 6 uur bedraagt”. Dit betekent: maakt de bedrijfsleider of werknemer één dag een dienstreis van minder dan 6 uur, dan kan die dag in principe géén forfaitaire dagvergoeding belastingvrij worden uitgekeerd. Deze 6-urenregel is bedoeld om te verzekeren dat er effectief bijkomende kosten (met name een maaltijd) verbonden zijn aan de trip, wat doorgaans pas speelt bij langere afwezigheden.

Maandelijks maandforfait (16-dagenregel)

Bij de maandelijkse forfaitaire vergoeding daarentegen is die strikte 6-urengrens niet van toepassing. Voor een bedrijfsleider (of werknemer) met regelmatige buitenwerkse prestaties (een reizende functie) mag de werkgever/vennootschap ervoor kiezen om een vaste maandvergoeding toe te kennen tot maximaal 16 keer de dagvergoeding (op voltijdse basis).

In dit geval vervalt de voorwaarde dat elke afzonderlijke verplaatsing minimaal 6 uur moet duren. Met andere woorden: als aan het criterium van “regelmatig buiten de bedrijfszetel” voldaan is, kan men op maandbasis een forfait betalen zonder voor elke dag na te gaan of er wel 6 uur werd gereisd.

Dit is een belangrijke versoepeling. Het maakt bijvoorbeeld mogelijk dat iemand die dagelijks kortere verplaatsingen doet (bv. elke dag een klantbezoek van een paar uur) toch een maandforfait krijgt, terwijl die persoon op dagbasis nooit aan 6 uur per keer kwam.

De hoogte van de maandvergoeding moet wel worden afgestemd op het gemiddeld aantal dienstreisdagen (bv. op basis van het vorige jaar). Als gemiddeld 10 dagen per maand op verplaatsing wordt gewerkt, rechtvaardigt dat een maandforfait van maximaal 10 × € 22,08.

Samengevat: de 6-urenregel is afgeschaft voor de maandelijkse forfaitaire vergoeding (vanaf juni 2024), maar blijft gelden indien men opteert voor losse dagvergoedingen.

Wettelijke basis: deze fiscale interpretatie werd bevestigd via een circulaire van de FOD Financiën — Circulaire 2024/C/38 van 3 juni 2024. Daarin is expliciet opgenomen dat bij een maandvergoeding voor reizende functies de minimumduur van 6 uur niet vereist is, en dat de maandvergoeding maximaal 16 maal het dagforfait mag bedragen.


RSZ-regels vs. fiscale regels (en de situatie voor bedrijfsleiders)

Belastingen (fiscus) en sociale zekerheid (RSZ) hanteren andere interpretaties voor onkostenvergoedingen bij dienstreizen. De hierboven besproken bedragen en voorwaarden (bv. het dagforfait, het maandforfait, geen 6-uurseis bij het maandforfait) zijn die welke door de fiscus worden aanvaard voor belastingvrijstelling. De RSZ daarentegen heeft eigen richtlijnen en maximumbedragen voor werknemers.

Werknemers: striktere RSZ-normen

In de RSZ-administratie spreekt men van “niet-sedentaire werknemers” wanneer een werknemer verplicht is zich tijdens de werkdag te verplaatsen (minimum 4 uur aaneensluitend). Als zo iemand geen gebruik kan maken van de gebruikelijke bedrijfsfaciliteiten (toilet, refter, wasplaats) tijdens die verplaatsing, aanvaardt de RSZ daarvoor een forfaitaire vergoeding. Daarnaast — als de werknemer onderweg ook een maaltijd buitenshuis moet nemen — aanvaardt de RSZ nog een bijkomende maaltijdvergoeding per dag.

Vergoeding (RSZ, werknemers)BedragVoorwaarde
Niet-sedentaire werknemer (afwezigheid faciliteiten)€ 10,00 / dagMin. 4 uur aaneensluitend op verplaatsing, geen toegang tot werkplekfaciliteiten (toilet, refter, wasplaats)
Maaltijdvergoeding (bovenop voorgaande)op aanvraagWerknemer moet onderweg een maaltijd buitenshuis nemen

In totaal hanteert de RSZ feitelijk een gecombineerd maximum aan onkostenvergoeding voor binnenlandse dienstreizen van werknemers, onder de strikte voorwaarde van minstens 4 uur verplaatsingstijd per dag en het niet kunnen gebruiken van werkplekfaciliteiten. Deze RSZ-normen liggen aanzienlijk lager dan de fiscale maxima, en de RSZ eist ook strengere feitelijke omstandigheden (4 uur onderweg, geen voorzieningen).

Let op: het RSZ-bedrag voor de maaltijdvergoeding is vermoedelijk gewijzigd per 1 januari 2026. Raadpleeg de meest recente RSZ-administratieve instructies voor het correcte bedrag.

Als een werkgever aan een gewone werknemer bedragen toekent die hoger liggen dan de RSZ-plafonds, riskeert het meerdere als loon te worden beschouwd — met bijhorende RSZ-bijdragen. Beperk vergoedingen aan werknemers dus best tot de bedragen die de RSZ aanvaardt.

Bedrijfsleiders: fiscale maxima gelden volledig

Belangrijk voor bedrijfsleiders: de RSZ-regels gelden in de praktijk alleen voor werknemers die onder de loon- en RSZ-wetgeving vallen. Bedrijfsleiders van vennootschappen vallen meestal niet onder het werknemers-RSZ-stelsel, maar onder het sociaal statuut der zelfstandigen.

Daardoor zijn de RSZ-beperkingen niet van toepassing op vergoedingen aan bedrijfsleiders. Een vennootschap kan haar bedrijfsleider dus in principe het volledige fiscale forfait toekennen (tot € 353,28/maand vanaf 1/9/2026) zonder rekening te moeten houden met de lagere RSZ-plafonds.

Met andere woorden: voor bedrijfsleiders is er op sociaalzekerheidsvlak geen probleem om de maximale fiscale bedragen uit te keren als kosten eigen aan de vennootschap. (Zou men dezelfde bedragen aan een gewone werknemer toekennen, dan riskeert het deel boven de RSZ-norm als loon te worden beschouwd met bijhorende RSZ-bijdragen — vandaar de waarschuwing om voor werknemers te beperken tot de RSZ-aanvaarde bedragen.)

Geen dubbele vergoeding

Bij cumulatie van voordelen zitten fiscus en RSZ wel op één lijn: zo mag voor dezelfde dag geen dubbele dekking van maaltijdkosten gebeuren. Als bijvoorbeeld voor een reisdag maaltijdcheques worden gegeven, moet de waarde daarvan in mindering op de forfaitaire maaltijdvergoeding worden gebracht. Het is ofwel forfaitair, ofwel reëel — nooit beide voor dezelfde uitgave.


Bewijsvoering en documentatie

Hoewel forfaitaire onkostenvergoedingen bedoeld zijn om de administratieve last te verlichten (geen individuele onkostennota’s voor elke maaltijd nodig), betekent dit niet dat er geen bewijsstukken of rechtvaardiging nodig zijn. Zowel de fiscus als (indien van toepassing) de RSZ kunnen bij controle vragen om aan te tonen dat de voorwaarden voor de vrijstelling vervuld zijn. Enkele aandachtspunten rond bewijs en documentatie:

Aantonen van de prestaties buiten de bedrijfszetel

De bedrijfsleider (of werknemer) moet in geval van controle kunnen bewijzen dat hij/zij effectief beroepsmatige verplaatsingen heeft gemaakt.

Voor dagvergoedingen:

  • Aantonen dat de betrokken dienstreis minstens 6 uur duurde en dat het een werkgerelateerde verplaatsing betrof
  • Documenten die duur en doel staven: agenda, timesheets, bestelbons, vergadernotulen of andere stukken

Voor maandvergoedingen:

  • Het voordeel is dat men niet elke dag afzonderlijk de 6-uurregel hoeft te bewijzen, maar het is wél aangewezen documentatie bij te houden die de regelmaat en het aantal verplaatsingen onderbouwt
  • In de praktijk wordt aangeraden de hoogte van de maandelijkse forfaitvergoeding te baseren op het gemiddeld aantal dienstreisdagen in een voorafgaande periode (bijvoorbeeld het vorige jaar)
  • Houd bijvoorbeeld een reisverslag of overzicht bij van alle professionele verplaatsingen per maand. Dit kan dienen als interne berekeningsbasis én als bewijsstuk dat de forfaitaire vergoeding in lijn is met de realiteit
  • Als uit de boeken blijkt dat bv. gemiddeld 10 dagen per maand op verplaatsing werd gewerkt, kan dat een maandforfait van (maximaal) 10 × dagbedrag rechtvaardigen
  • Het is niet vereist dat elke maand exact dat aantal verplaatsingsdagen gehaald wordt; een maand kan iets meer en de andere iets minder dagen tellen, zolang over het geheel de vergoeding een redelijke benadering van de gemaakte kosten is

Sleutelprincipe: de forfaitaire vergoeding moet overeenstemmen met een kostenrealiteit — zij het via concrete bewijsstukken, zij het via een geloofwaardige raming op basis van vroegere patronen.

Fiche 281.20 — verplichte rapportering

Wanneer een vennootschap een vergoeding uitbetaalt aan haar bedrijfsleider, moet dit verplicht worden gerapporteerd op de fiche 281.20 (de fiscale fiche voor toegekende vergoedingen aan bedrijfsleiders) onder de rubriek “kosten eigen aan de werkgever”. Dit is een belangrijke formaliteit.

Zonder fiche 281.20 is de vergoeding niet aftrekbaar voor de vennootschap. Met andere woorden: als men nalaat de forfaitaire onkostenvergoeding op de fiche van de bedrijfsleider te vermelden, riskeert men dat de fiscus de kost verwerpt en/of de vergoeding aanziet als een verborgen dividend of loon. Zorg er dus voor dat jaarlijks op de fiscale fiche van de bedrijfsleider de ontvangen dag- of maandvergoedingen correct worden ingevuld (in het vak “Diverse inlichtingen” van de fiche 281.20).

Geen dubbele vergoeding

Zowel de fiscus als de RSZ eisen dat er niet dubbel geteld wordt. Dit houdt in dat er geen andere tussenkomst mag zijn voor dezelfde kost. Bijvoorbeeld: indien de bedrijfsleider voor de betreffende dag al maaltijdcheques of catering krijgt, moet de waarde daarvan in mindering gebracht worden op de forfaitaire maaltijdvergoeding. Ook mag de vennootschap niet daarnaast nog eens reële onkosten voor maaltijden terugbetalen voor die dag — het is ofwel forfaitair, ofwel reëel, maar niet beide voor dezelfde uitgave.

Situaties waar de vergoeding vervalt

Denk ook aan de eerder genoemde 40-dagenregel en andere beperkingen.

  • 40-dagenregel (zie hoger): herhaalde bezoeken aan dezelfde externe locatie tellen na dag 40 niet langer als dienstreis.
  • Geen effectieve verplaatsing: als de vergoeding wordt toegekend voor iets dat eigenlijk niet onder een dienstreis valt (bijv. voor dagen waarop feitelijk geen verplaatsing was, of voor woon-werktrajecten), dan zal de fiscus dit verwerpen. Tijdens periodes waarin evident geen dienstreizen gebeuren (bijv. een verlofperiode, ziekteperiode, zwangerschapsperiode, lockdown) is het toekennen van een forfait verdacht. De administratie heeft gesteld dat als in zulke omstandigheden toch een vergoeding werd uitgekeerd, dit als simulatie kan worden gezien en dus herkwalificeerd wordt tot belastbaar loon.
  • Woon-werktrajecten: die vallen nooit onder de dienstreisvergoeding.

Kortom, de vergoeding moet steeds stroken met een werkelijke beroepsmatige verplaatsing.

Samengevat: zorg voor een degelijke onderbouw van de forfaitaire onkostenvergoeding. Documenteer de reisbewegingen (frequentie, duur, bestemming) bijvoorbeeld via rittenstaten of agenda’s, stel zo nodig een interne policy/berekening op voor de maandvergoeding, en neem de vergoeding correct op in de fiscale fiches. Als de forfait binnen de maximale bedragen blijft en de voorwaarden (regelmaat, geen dubbele vergoeding, niet voor woon-werk, enz.) nageleefd worden, zal deze bij een controle als kosten eigen aan de vennootschap worden aanvaard en dus belastingvrij blijven voor de bedrijfsleider. Worden de limieten of voorwaarden echter overschreden, dan loopt men het risico dat de vergoeding wordt geherkwalificeerd als loon en alsnog belast (en voor werknemers: onderworpen aan RSZ). Daarom is het van belang de bovenstaande spelregels te respecteren en bij twijfel advies in te winnen of de officiële bronnen te raadplegen.


Praktische checklist

  • Bedrijfsleider heeft een reizende functie of levert structureel prestaties buiten de bedrijfszetel
  • Maandforfait is gebaseerd op het gemiddeld aantal dienstreisdagen (vorig jaar)
  • Maandforfait overschrijdt € 353,28/maand niet (geldig vanaf 1/9/2026)
  • Verplaatsingen naar dezelfde externe locatie worden geteld (stop bij dag 40)
  • Geen dubbele vergoeding voor dezelfde kost (maaltijdcheques, catering)
  • Reispatroon gedocumenteerd (agenda, rittenblad, maandoverzicht)
  • Vergoeding jaarlijks opgenomen op fiche 281.20 van de bedrijfsleider

Bronnen: officiële instructies en circulaires van RSZ en FOD Financiën, in het bijzonder Circulaire 2024/C/38 (3 juni 2024); Securex — geïndexeerde bedragen binnenlandse dienstreizen vanaf 1 maart 2026; RSZ administratieve instructies; en het seminarie “Terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever – Update AJ 2026” (Filip Vandenberghe, Fisc@West kennisbank). Deze bronnen bevestigen de bedragen en voorwaarden en benadrukken de juiste toepassing voor bedrijfsleiders. Bij onduidelijkheden raadpleeg je best de originele RSZ-administratieve instructies en de fiscale circulaire 2024/C/38 voor volledige details.

Hulp op afstand